Historie

Print Friendly, PDF & Email

De geschiedenis van de Delftse School voor Bedrijfskunde is onlosmakelijk verbonden met de leerstoel bedrijfsleer aan de Technische Universiteit Delft. Voor het historisch perspectief van het gedachtegoed van de Delftse School volgt hier eerst een overzicht van de invulling van de leerstoel bedrijfsleer.

De ontwikkeling van de bedrijfskunde in Nederland begint in 1909 met de oprichting aan de TU-Delft van de leerstoel bedrijfsleer. Veel Nederlandse ingenieurs belandden al snel na hun afstuderen in leidinggevende functies, en sommigen drongen zelfs door tot de top van het bedrijfsleven. Daarom nam men het besluit de ingenieursopleiding te verrijken met het vak bedrijfskunde.

Chronologie van de leerstoel bedrijfsleer.

tijdvak hoogleraar
1909 – 1934 J.G.Ch. Volmer
1936 – 1950 J. Goudriaan
1950 – 1956 B.W. Berenschot
1957 – 1964 H.K. Volbeda
1964 – 1965 J.L. Mey
1968 – 1993 P.Ch-A. Malotaux
1993 – 1998 J.W. Koolhaas

Met het emeritaat in 1993 van Pierre Malotaux kwam er een eind aan de bezetting van de leerstoel door wetenschappers met een grote autoriteit op het vakgebied, die stuk voor stuk een wezenlijke bijdrage leverden aan de ontwikkeling van de Nederlandse bedrijfskunde. Na het vertrek van Koolhaas in 1998 werd de functie van sectieleider nog enkele jaren vervuld op hoofddocentniveau door Wouter ten Haaf. Met diens pensionering in zicht werd de sectie bedrijfsleer in 2005 na 96 jaar opgeheven.

Het ontstaan van de Delftse School voor Bedrijfskunde

Het begin van de Delftse School voor Bedrijfskunde ligt bij de benoeming van Malotaux in 1968 tot opvolger van de kort daarvoor overleden J.L. Mey. Inmiddels was men het vakgebied voor de opleiding tot ingenieur steeds belangrijker gaan vinden. In 1968 besloot men daarom niet alleen de leerstoel bedrijfsleer opnieuw te bezetten, maar aanvullend nog twee zusterleerstoelen te creëren. Jan in ’t Veld werd benoemd tot aanvoerder van een nieuwe sectie industriële organisatie, waar men onderwijs zou gaan verzorgen in de technische bedrijfskunde. Henk Lombaers werd benoemd tot hoogleraar kwantitatieve aspecten van de bedrijfsleer, een Nederlandse benaming voor wat elders bekend stond onder de naam operations research. Lombaers ging al snel min of meer zijn eigen weg. Malotaux en In ’t Veld ontwikkelden gezamenlijk in de daarop volgende 25 jaar een visie op het vakgebied die bekend kwam te staan onder de naam Delftse School voor Bedrijfskunde. Pierre Malotaux met zijn achtergrond van organisatieadviseur bedacht de belangrijkste concepten. Een aantal daarvan was van zeer fundamentele aard. In ’t Veld met zijn achtergrond van productiechef in de vliegtuigindustrie werkte die concepten vervolgens uit tot in de praktijk bruikbare modellen, en gaf die een plaats in de masteropleiding industriële organisatie. De gezamenlijke inspanning leidde tevens tot een drietal gezaghebbende collegereeksen en bijbehorende collegedictaten. Jaarlijks legden meer dan duizend studenten uit vrijwel alle faculteiten tentamen af in deze vakken.

Parallelle ontwikkeling

Bij de opleiding elektrotechniek vond een eigen ontwikkeling plaats. Wouter ten Haaf, hoofdmedewerker van de sectie bedrijfsleer, ontwikkelde daar een groot practicum met twee inleidende collegereeksen, verplichte vakken voor alle elektrostudenten, met als centrale thema’s ontwerpmethodologie en bedrijfskunde van de productontwikkeling. Het practicum groeide uit tot het afstudeerproject van de bachelorfase, en vormde jarenlang, ook internationaal, het paradepaardje van de faculteit. Onder invloed van dit onderwijs vond bij de opleiding een metamorfose plaats. De van oudsher op research georiënteerde faculteit evolueerde in tijd van enkele jaren tot een ontwerpgerichte opleiding.

Opheffing van twee secties

In 1993 werd Pierre Malotaux opgevolgd door Jan Koolhaas en Jan in ’t Veld door Henk Bikker. Koolhaas, binnengehaald met de opdracht het bedrijfsleersaandeel in de Delftse School verder te ontwikkelen, bleek reeds kort na zijn benoeming geen enkele affiniteit te hebben met het betreffende gedachtegoed. Hij droeg de verantwoordelijkheid voor dat aandeel over aan Ten Haaf, waarna hij in wetenschappelijk opzicht zijn eigen weg ging en in 1998 de TU-Delft verliet. Vanaf 1993 waren Ten Haaf en Bikker gezamenlijk verantwoordelijk voor de voortzetting en verdere uitbouw van het Delftse School gedachtegoed. In het emeritaat van Bikker in 2005 en de in zicht komende pensionering in 2007 van Ten Haaf zag de TU-Delft aanleiding de secties bedrijfsleer en industriële organisatie op te heffen. Vanaf dat moment speelt het gedachtegoed van de Delftse School in de curricula van de TU-Delft geen rol meer van enige betekenis.

Het tweede bruggenhoofd

Sinds 1980 vormde de bij de Haagse Hogeschool ondergebrachte stichting Post Hoger Technisch Onderwijs (PostHTO) een tweede bruggenhoofd van de Delftse School voor Bedrijfskunde. Dat gold met name voor de meerjarige avondopleiding Bedrijfskunde, waar reeds in de praktijk werkzame managers bijgeschoold werden in het vak. In 1998 werd Ten Haaf daar benoemd tot cursusleider. Hij moderniseerde de opleiding en maakte er een leergang van die afgesloten werd met het diploma Master in Business Administration. De uit de Anglo-Amerikaanse cultuur afkomstige MBA-opleiding had traditioneel het karakter van een opleiding met zwaartepunten op bedrijfseconomie en accountancy, waarin vooral de Anglo-Amerikaanse opvattingen van bedrijvigheid en omgaan met mensen onderwezen werden. De MBA-leergang aan de Haagse Hogeschool werd daarentegen een opleiding waarin de Europese waarden, normen en denkbeelden over leiderschap en organisatie en het daarmee samenhangende mensbeeld centraal stonden. In 2006 werd deze ‘Europese’ MBA-opleiding beëindigd en vervangen door een MBA-opleiding waarin het Anglo-Amerikaanse paradigma leidend werd. Vanaf dat moment speelt het gedachtegoed van de Delftse School voor Bedrijfskunde bij de opleidingen op HBO-niveau aan de Haagse Hogeschool geen rol meer.

Paradigmaverschuiving door gewijzigde machtsverhoudingen

Tot slot nog enkele woorden over de culturele ontwikkelingen die het mogelijk maakte dat het Delftse School gedachtegoed (tijdelijk?) verdween uit de officiële curricula van het wetenschappelijk en hoger onderwijs in Nederland.
Aan het eind van de twintigste eeuw beleefde onze samenleving een zware terugval in democratisch gehalte. Misschien wel het zwaarst getroffen werd de wereld van het universitaire en het hoger onderwijs. De democratische besluitvorming werd afgeschaft en als bestuursvorm werd de centralistische machtsuitoefeningsorganisatie ingevoerd. Onder de gewijzigde machtsverhoudingen kwam de verdringing van het Europese besturingsparadigma door de Anglo-Amerikaanse variant in een stroomversnelling.
De machinaties, het wanbeleid en de maatschappelijke schade die gepaard gingen met deze paradigmaverschuiving worden beschreven in de casus van de fictieve Technische Universiteit van Loosduinen en in die van de eveneens fictieve Hogeschool voor het Westland in het boek van Wouter ten Haaf, De Tegenroeier, 2013.