Wetenschap

Print Friendly, PDF & Email

Print Friendly, PDF & Email

 

Op deze pagina wordt aangegeven op welke manier de Delftse School voor Bedrijfskunde omgaat met wetenschappelijke theorieën en inzichten. Daartoe wordt eerst even stilgestaan bij de vraag, wat nu precies te verstaan is onder de term wetenschappelijk. De volgende thema’s komen aan de orde:

 

Waarnemen

Als wetenschappelijk geverifieerde modellen en/of theorieën beschikbaar zijn, maakt de Delftse School voor Bedrijfskunde daar graag gebruik van bij de aanpak van de problemen van leiding en organisatie. De waarde van wetenschappelijke modellen moet niet onderschat worden, maar de bruikbaarheid daarvan dient evenmin overschat te worden. In het onderstaande wordt daar bij stilgestaan.

Als uitgangspunt van de gedachtegang kan de volgende figuur dienstbaar zijn.

WAARNEMING

WAARNEMING

De externe realiteit, door Kant aangeduid met de term Das Ding an Sich, presenteert zich aan ons waarnemingssysteem als een beeld, een mentale constructie. Ons waarnemingssysteem beschikt niet over afdoende middelen om het waarheidsgehalte van ons waarnemingsbeeld te verifiëren met de werkelijkheid zelf. De waarnemer heeft zich dus wel een beeld gevormd over de werkelijkheid, maar de vorming van dat beeld is omgeven met onzekerheid die nooit volledig opgeheven zal kunnen worden.

De waarneming zelf komt erop neer, dat de waarnemer, in zijn innerlijke wereld, zijn aandacht richt op het waarnemingsbeeld. De reflectie van die psychische energie heeft het karakter van een gewaarwording.

terug naar begin pagina

 

De vorming van causale modellen

Voor de meeste van ons geeft onderstaande figuur de gangbare manier weer waarop de vorming van een waarnemingsbeeld tot stand komt.

 

DE VORMING VAN EEN CAUSAAL MODEL

DE VORMING VAN EEN CAUSAAL MODEL

In het domein van de externe realiteit ‘genereert’ een deel van de werkelijkheid (hier aangeduid met de term object) een fysisch-chemische prikkel. In onze zintuigen wordt die prikkel omgezet in een gewaarwording. In de waarnemingspsychologie wordt vrij algemeen aangenomen dat die gewaarwording zich aan ons aanbiedt in de vorm van een systeem. Onder invloed van de natuurwetenschappen menen de meeste wetenschappers, dat het systeem causaal van karakter is, een systeem dus waarvan de werking beschreven kan worden door middel van oorzaak-gevolg relaties. Dat zou dus niet slechts gelden voor natuurwetenschappelijke of technische verschijnselen. Ook de gedragingen van mensen, van groepen van mensen en van gehele samenlevingen zouden beschreven kunnen (en moeten) worden als zouden die systemen causaal van karakter zijn. Deze visie heeft verstrekkende gevolgen. De gevolgen voor ons wereldbeeld zijn op uiterst leesbare wijze door E.J. Dijksterhuis beschreven in zijn klassieker De mechanisering van het wereldbeeld  (isbn 9053568921). Maar ook voor de ontwikkeling en de bruikbaarheid van de mens- en maatschappijwetenschappen heeft deze visie grote gevolgen gehad. Wetenschappen als psychologie, sociologie, bestuurswetenschappen en economie worden slechts serieus genomen als ze bereid zijn hun studieobject te beschouwen als een causaal systeem en derhalve bereid zijn zich bij het bedrijven van hun wetenschap te onderwerpen aan de tucht en de methodologie van de natuurwetenschappen. Het predicaat ‘wetenschappelijk’ is dus voorbehouden aan de natuurwetenschappelijke methode. Het belangrijkste criterium bij het gebruik van deze methode is dat van de WAARHEID. Meer over deze methode vindt u onder het kopje De economie als wetenschap.

Het vermelden overigens van de economie in dit rijtje van de mens- en maatschappijwetenschappen moge wellicht op het eerste gezicht enige verwondering wekken. De economie houdt zich echter primair bezig met vraagstukken van keuzes tussen alternatieve en schaarse middelen. Zulke keuzevraagstukken zijn primair vraagstukken van psychologische aard. Wij komen later op deze pagina nog terug op deze voor de bruikbaarheid en de voorspellende waarde van de economische wetenschap buitengewoon belangrijke consequentie.

terug naar begin pagina

De aantrekkingskracht van causale modellen

In deze passage staan we stil bij drie aspecten die het gebruik van causale modellen aantrekkelijk maakt.

  1. egobehoefte van de wetenschapper
  2. behoefte aan zekerheid bij de wetenschapper
  3. belangen van groeperingen met macht

Ad 1  Wie als wetenschapper serieus genomen wil worden, dient zich dus te onderwerpen aan de natuurwetenschappelijke methodologie van wetenschap en de daarbinnen geformuleerde criteria. Dat maakt de keuze voor het gebruik van causale modellen zo niet noodzakelijk dan toch wel buitengewoon aantrekkelijk. Ook als de te onderzoeken verschijnselen zich nauwelijks of in het geheel niet laten beschrijven aan de hand van oorzaak-gevolg relaties en het gebruik van een finaal systeem tot inzichten leidt met een veel hoger waarheidsgehalte. Dan nog kiezen de meeste wetenschappers uit de mens- en maatschappijwetenschappen liever voor causale modellen in plaats van voor finale modellen.

Ad 2  Elke modelvorming begint bij het ontwerpen van een kwalitatief model. Zo’n kwalitatief model is nodig om inzicht te krijgen in het systeemgedrag en de onderlinge samenhangen. Is het model causaal van aard, is het vaak mogelijk het kwalitatieve model uit te bouwen tot een kwantitatief model, waarin de relaties tussen de elementen gerepresenteerd worden door algoritmen.  En voor de wetenschapper is dat een buitengewoon aantrekkelijke eigenschap. Aan zo’n model kun je immers rekenen. Je kunt er voorspellingen mee doen en de resultaten presenteren door een getal, de uitkomst van een rekensom. Vaak wordt zo’n uitkomst dan ook nog gepresenteerd door een getal met een aantal decimalen achter de komma. Denk maar aan de voorspellingen door het Centraal Plan Bureau. Voorspellingen overigens die slechts zelden uitkomen, maar waarop de politiek wel het economisch beleid van ons land baseert! Zo’n presentatie door een getal met een aantal decimalen achter de komma suggereert een grote nauwkeurigheid en dat geeft een gevoel van zekerheid. Veel wetenschappers hebben zo’n grote behoefte aan zekerheid dat ze de neiging hebben hun studieobject alleen al om die reden te willen beschouwen als een causaal systeem. Ook als die beschouwingswijze eigenlijk helemaal niet voor de hand ligt en evident tot verkeerde conclusies leidt.

Ad 3   Naast de behoefte om als wetenschapper serieus genomen te worden (egobehoefte) en de behoefte aan zekerheid is er nog een derde reden waarom wetenschappers en hun volgelingen kunnen kiezen voor een methode van onderzoek, ook als ze weten dat die evident tot onjuiste conclusies leiden. Die derde reden wordt gevormd door de combinatie van macht en de belangen die machthebbers hebben bij die onjuiste maar door hen als wenselijk geachte uitkomsten. Een van de meest onthutsende voorbeelden van dit mechanisme wordt gevormd door het in de economie als principe vrij algemeen geaccepteerde dogma van de Onzichtbare Hand. Meer over dat dogma en de gevolgen voor mens en samenleving vindt u in een volgende passage op deze pagina.

terug naar begin pagina

De vorming van finale modellen

Op het eerste gezicht lijkt onderstaande figuur identiek met de vorige, maar er is een wezenlijk verschil. De waarnemer realiseert zich dat hij van doen heeft met een subject (een denkend en bezield individu) of een entiteit met  subjectkarakter (zoals bij voorbeeld een organisatie) en hij beschouwt nu het door hem gecreëerde waarnemingsbeeld derhalve niet als een causaal systeem maar als een finaal systeem. Onder een finaal (op en in de toekomst te realiseren doel gericht) systeem wordt een systeem verstaan waarvan het gedrag beschreven kan worden in termen van doel-middel relaties. Dit doelstrevende systeem bepaalt welk doel het wil realiseren en kiest daar vervolgens het middel bij dat hem met de minste offers (de hoogste efficiency) bij het gestelde doel brengt (effectiviteit). De gedragingen van een dergelijk systeem worden beschreven door middel van intentionele logica in plaats van door formele logica.

 

DE VORMING VAN EEN FINAAL MODEL

In de begintijd van de moderne natuurkunde werd de materie beschouwd als een substantie met een wil, dus als een doelstrevend systeem. Resten van die opvatting leven nog voort in bij voorbeeld het spraakgebruik binnen de kinetische gastheorie. Zo zegt een van de gaswetten dat een thermodynamisch systeem streeft naar een zo groot mogelijke entropie. Het gebruik van het werkwoord streven verwijst tegenwoordig naar een metafoor, en men denkt daarbij niet meer aan een systeem dat zichzelf doelen stelt en vervolgens naar middelen zoekt om die doelstellingen te kunnen realiseren. De grote doorbraak van de natuurwetenschappen in de 17e eeuw en het grote succes ervan zijn het gevolg van de hantering van een nieuwe beschouwingswijze van natuurverschijnselen. Het denken in doel-middel relaties heeft plaatsgemaakt voor het causaliteitsbeginsel.


Ook mensen of entiteiten met subjectkarakter op een hoger aggregatieniveau kunnen soms met vrucht beschouwd worden als een causaal systeem. De behavioristische psychologie en de daarvan afgeleide benaderingen als de sociale psychologie en de gedragstherapie hebben zonder enige twijfel ons inzicht in bepaalde aspecten van het menselijk functioneren vergroot en daarmee onze mogelijkheden verruimd om met elkaar op een zinvolle wijze te interacteren. Datzelfde geldt voor de economie en met name voor de bedrijfseconomie. Maar als de processen complexer van aard worden is de kans groot, dat het verder denken in causaliteiten juist onze blik gaat verduisteren voor de diepere oorzaken en samenhangen en ons op het spoor gaan zetten van disfunctionele ‘oplossingen’. Dan wordt het tijd om de bakens te verzetten en over te schakelen op een beschouwingswijze waarbij mensen, groeperingen, organisaties en maatschappijen opgevat worden als doelstrevende systemen. De redeneervorm die dan gehanteerd dient te worden verschilt wezenlijk van die van de formele logica. Bij de formele logica leidt de combinatie van een correct uitgangspunt en een deductieve redenering immers tot een onomstotelijk ware uitspraak over de werkelijkheid. In de intentionele logica leidt een zorgvuldig geformuleerde doelstelling echter tot een groot aantal mogelijke oplossingen, waaruit de probleemoplosser vervolgens de meest belovende moet selecteren. Hier dus geen onomstotelijk juiste oplossing, maar hoogstens een bruikbare oplossing. De ontwerpmethodologie kan echter wel helpen de effectiviteit van de probleemoplosser en de kans op een bruikbare oplossing te vergroten. Bij het gebruik van het woord ontwerpen moet men daarbij niet slechts denken aan het ontwerpen door een doelstrevend systeem van een technische installatie, maar meer in het algemeen aan een oplossing voor een probleem. Dat kan ook een organisatie zijn. Organisatieontwerp vormt een wezenlijk onderdeel van de activiteiten van de Delftse School voor Bedrijfskunde.

terug naar begin pagina

De economie als wetenschap

Het geboorteproces van de economische wetenschap begint bij Francois Quesnay (1694-1774) met zijn Physiocratische School. De Schepper heeft regels vastgesteld die volmaakt en onveranderlijk zijn. Deze natuurlijke ordening moet je rustig zijn gang laten gaan. De natuurwetten weten wat voor ons het beste is en je moet ze niets in de weg leggen. De Schotse moraalfilosoof Adam Smith nam de idee van de natuurlijke orde over en werkte dat uit in zijn boek The Wealth of Nations (1776). Volgens deze grondlegger van de moderne economische wetenschap en de politieke economie leidt een onzichtbare hand de mensheid naar collectieve welvaart. Deze magische onzichtbare hand wordt aangeduid met marktwerking. Het nastreven van eigenbelang op individueel niveau zou automatisch tot de beste resultaten op collectief niveau leiden. Om op collectief niveau welvaart te creëren zou het individu niets in de weg gelegd mogen worden om zijn eigenbelang na te kunnen streven. Wilde deze onzichtbare hand zijn werk goed kunnen doen, diende wel aan een aantal noodzakelijke voorwaarden voldaan te worden.
1.  Volledige informatie
2. Volledige transparantie
3. Eerlijk delen, eerlijke handel
4. Onderlinge solidariteit
5. Geen overheidsingrijpen
Het credo van de onzichtbare hand is aanvankelijk het belangrijkste axioma geweest van de nieuwe economische wetenschap. Op den duur heeft het echter het karakter van axioma verloren en dat van een dogma gekregen. Hoe heeft dat kunnen gebeuren?

In de wetenschap komt men tot axioma’s door middel van inductie als  hoofdredeneervorm. Het volgende voorbeeld moge dat toelichten.

  • Uit het raam van mijn werkkamer kijkend ontwaar ik een raaf en ik zie dat die vogel zwart van kleur is.
  • Een dag later die ik weer een raaf voorbij vliegen, en ook deze vogel is zwart van kleur.
  • Een derde singuliere waarneming levert opnieuw een zwart van kleur zijnde raaf op.
  • Na een groot aantal singuliere waarnemingen die allemaal hetzelfde resultaat opleverden, kom ik uiteindelijk tot het (voorlopige) inzicht: Alle raven zijn zwart.

De redenering is opgebouwd uit een (groot) aantal singuliere waarnemingen, en wordt afgesloten met een conclusie. Zo’n redenering staat bekend onder de naam inductieve redenering. De conclusie beschouwen we als voorlopig waar. Ze is waar zolang het tegendeel niet bewezen is. Eén enkele waarneming die strijdig is met het via inductie verkregen inzicht maakt de wetmatigheid ongeldig. Dit is het door Popper geformuleerde falsificatiebeginsel.

In de wetenschap (een verzameling van per definitie op het causaliteitsprincipe gebaseerde modellen en theorieën) heeft elk axioma dus in beginsel het karakter van een hypothese, een wetmatigheid die we voorlopig als waar aannemen. Vervolgens worden die axioma’s gebruikt als uitgangspunt voor het verder uitwerken van een bouwwerk van gedetailleerde deelinzichten. Die uitwerking gebeurt met behulp van deductieve redeneringen. Een deductieve redenering heeft als kenmerk, dat een ware premisse (in dit geval een als waar beschouwd axioma) leidt tot een onomstotelijk ware uitspraak.

In de wetenschap stelt men zich tot taak voortdurend onderzoek te doen naar het waarheidsgehalte van de uitgangspunten, de axioma’s. De permanente inspanning tot falsificatie is een onlosmakelijk onderdeel van het wetenschappelijk bedrijf. Het gebeurt wel dat men, bij voorbeeld door toepassing van nauwkeuriger meetmethoden, ontdekt dat een bepaalde, tot dat moment als juist beschouwde wetmatigheid, onjuist blijkt te zijn. Dan begint men eerst weer naar het zoeken van een nieuw kwalitatief model. En als men dat gevonden meent te hebben, gaat men over tot de uitwerking daarvan tot een kwantitatief model. Dat laatste wordt dan vervolgens weer kritisch geëvalueerd door middel van een groot aantal singuliere waarnemingen. Uiteindelijk leidt dat dan tot een nieuwe, bijgestelde, wetmatigheid. Een klassiek voorbeeld van deze gang van zaken wordt in de natuurwetenschappen gevormd door het onderzoek van Johannes Diderik van der Waals naar de gaswet van Boyle – Gay Lussac, dat uiteindelijk leidde tot de naar hem genoemde nieuwe gaswet. Voor zijn werk kreeg Van der Waals in 1910 de Nobelprijs voor natuurkunde.

Hoe zit het nu met die onzichtbare hand van Adam Smith? Een niet onbelangrijke vraag, omdat de economie als wetenschap gefundeerd is in dat axioma, en op dat axioma een heel wetenschappelijk bouwwerk opgetrokken is. Bovendien wijst het neo-liberalisme, de belangrijkste ideologische pleitbezorger van een ongebreidelde marktwerking in de wereld, naar die onzichtbare hand als wetenschappelijke onderbouwing van de opvatting, dat die hand ons uiteindelijk zal leiden naar collectieve welvaart, en wel via de weg van het individueel egoïsme.

Het antwoord is onthutsend. De door de wetenschapsfilosoof Karl Popper zo krachtig aanbevolen falsificatieprocedure van dit axioma is nooit onderwerp geweest van de economische discipline. De economische wetenschap is van meet af aan zo rotsvast overtuigd geweest van de waarheid van het  axioma, dat men het nooit nodig gevonden heeft de onzichtbare hand te onderwerpen aan een wetenschappelijke falsificatieprocedure. De onzichtbare hand heeft daarmee niet het karakter van een axioma maar het karakter van een dogma, een leerstelling die als onbetwistbaar wordt beschouwd door een religie of een ideologie. Er is dus geen enkele wetenschappelijke onderbouwing van de juistheid van de onzichtbare hand als collectieve welvaartsbrenger. In tegendeel. Reeds Adam Smith formuleerde enkele noodzakelijke criteria waaraan voldaan zou moeten worden wilde zijn onzichtbare hand zijn werk kunnen doen. Aan enkele van die randvoorwaarden is evident nooit voldaan. Daarmee heeft het dogma sowieso zijn geldigheid verloren. Maar er is meer. Bij de wereldwijde economische recessie van 1929 werd duidelijk, dat juist die onzichtbare hand de belangrijkste oorzaak vormde van die recessie. Ook voor de in 2008 ingezette economische crisis moet de ongebreidelde marktwerking als belangrijkste veroorzaker aangewezen worden. Maar hoe kan het dan zijn dat de lobby van het laisser-faire liberalisme nog steeds verwijst naar de onzichtbare hand als een wetenschappelijk verantwoord beginsel voor de richting en inrichting van onze maatschappij? Ook daarop is een eenvoudig antwoord mogelijk. Wetenschappers die zich bezig gehouden hebben met het onderzoek naar het fenomeen van de paradigmavorming hebben aangetoond, dat de verdringing van een bestaand paradigma door een nieuw paradigma niet alleen maar het rationele resultaat behoeft te zijn van een wetenschappelijk discours met wetenschappelijke argumenten, maar ook tot stand kan komen door machtsuitoefening van invloedrijke belangengroeperingen. En precies dat is gebeurd met de verovering van ons maatschappelijk bestel door de onzichtbare maar harde hand van Adam Smith.

terug naar begin pagina

De positie van de Delftse School

De Delftse School voor Bedrijfskunde benadert de problemen van leiding en organisatie vanuit twee complementaire invalshoeken, die van de technische bedrijfskunde en die van de bedrijfsleer. De technische bedrijfskunde maakt vooral gebruik van causale modellen. Het zwaartepunt ligt bij de analyse van organisatieproblemen door het denken in systemen en processen. De bedrijfsleer maakt vooral gebruik van finale modellen. Het zwaartepunt ligt bij de intermenselijke samenwerking, leiderschap en organisatieontwikkeling. De door bedrijfsleer gehanteerde methodologie bij de ontwikkeling van competenties van mensen en organisaties zijn vrijwel identiek met die van de ontwerpmethodologie.
Waar mogelijk probeert de Delftse School te komen tot modellen waarin causale aspecten en finale aspecten geïntegreerd zijn.
Waar wetenschappelijke methoden en theorieën beschikbaar zijn, maakt de Delftse School daar graag gebruik van. Maar als die nog niet voorhanden zijn, moet het maar op een voorwetenschappelijke manier.

terug naar het begin van de pagina